Ik was nerveus. De nieuwe gast had een tracheostoma. Door een opening in zijn hals was een canule naar zijn luchtpijp aangebracht. Zo'n buisje moet regelmatig worden schoongemaakt en soms met een speciaal apparaat uitgezogen als de patiënt zelf het slijm niet weg kan hoesten. Natuurlijk heb ik dat geleerd maar ik had het nog nooit bij de hand gehad. Gelukkig bleek het me goed af te gaan.

 

Praten is daardoor bijna niet mogelijk. Door een bepaalde techniek kon hij wel woorden met de adem mee 'uitstoten', maar die kon ik meestal niet verstaan. Maar eigenlijk verstonden we elkaar prima. In de kortste keren wist ik wat hij nodig had om optimaal te functioneren, we hadden als het ware een heel goede samenwerking. Het leek of we elkaar al jaren kenden. Dat was leuk maar ook pittig en heel intensief.

 

Na zijn operatie, een jaar geleden, had hij nog veel kwaliteit van leven gehad. Hij tenniste vaak, had een fijne relatie met zijn kinderen en was dol op zijn kleinkinderen. Die klommen ook nu nog bovenop hem en trokken zich niets aan van zijn tracheostoma, daar waren ze allang aan gewend.

 

Hij ging snel achteruit. Hij hield zich groot maar zijn hoestbuien werden steeds heviger en putten hem uit. Zijn dagelijkse verzorging, waar ik hem mee hielp, moest in etappes gebeuren. Als ik hem net een schoon shirt had aangedaan zat het in een mum van tijd weer onder het snot. "Je bent net zo erg als mijn kleinkinderen, alleen de appelstroop ontbreekt er nog aan" zei ik hem en ik probeerde wat weg te vegen. Ik overwoog hem nog een keer een schoon shirt aan te trekken want hij had er altijd verzorgd uitgezien en er hingen leuke kleren in de kast. Het zou geen nut hebben, hij trok het niet meer. Hij keek me wat hulpeloos aan en maakte een gebaar van 'het is niet anders'.

 

Toen we zo aan het werk waren zei hij ineens in één keer: "Wat jammer dat ik je nu pas ontmoet, ik vind je een mooie vrouw en ik zou je heel graag veel over mezelf willen vertellen". Ik verstond hem goed. We keken elkaar een poosje aan en ik zei hem dat ik het zeker heel leuk had gevonden om samen een mooi glas tripel te drinken en een sigaar te roken. Hij lachte een beetje. Ik vertelde hem dat ik zijn levensverhaal, dat zijn kinderen over hem hadden geschreven, had gelezen. Dat ik daardoor de indruk had dat hij erg van het leven had genoten. Dat beaamde hij grif. Daarna had hij al zijn energie nodig om te ademen.

 

De volgende ochtend at ik mijn sinaasappel voordat ik naar mijn werk ging. Ik dacht aan hem en vroeg me af wat de dag ons zou gaan brengen. Ineens had ik het gevoel dat mijn mond vol slijm zat. Ik schrok. Ik was blijkbaar veel te dichtbij gekomen. Ik vroeg mijn collega of zij die dag voor hem wilde zorgen, dat leek me beter. Ik voelde spijt en opluchting tegelijk. Ergens die dag liep ik toch even bij hem binnen om te groeten. Allebei zijn dochters waren er. Ik zat op de rand van zijn bed en zij zaten een eindje bij hem vandaan. Het voelde of ik dichter bij hem was dan zij. Zo zag het er ook uit. Ik vroeg hun of ze alles tegen elkaar hadden gezegd wat ze zouden willen zeggen. Alle drie schoten hun de tranen in de ogen. Hij keek mij ongelovig aan. "Zo ver is het toch nog niet" zei een van de meiden. Ik vertelde hun dat ik dat gevoel ook niet had maar dat je, als je nog wat aan elkaar te vragen hebt, dat toch maar beter kunt doen. Je weet maar nooit hoe het gaat. De jongste dochter ging achter haar zus staan die ingehouden zat te snikken. Ze hield haar schouders vast. Het leek of ze zo steun zocht. "Ik weet heel veel niet, pap, en ik zou het daar graag met je over willen hebben". Toen ben ik maar gauw weggegaan. Het was sowieso tijd om naar huis te gaan. Op de fiets vroeg ik me af of ik nu toch weer te veel betrokken was geweest. Ik wist het niet zo goed en legde het naast me neer. Ik zou twee dagen vrij zijn, daarna zou ik wel weer zien. Vaak is de situatie dan alweer zo anders.

 

Toen ik weer op mijn werk kwam was hij al overleden. Zijn lichaam was al weggebracht, zijn dochters heb ik niet meer ontmoet. Ik was verbaasd want dat had ik echt niet verwacht. Toch was het goed zo.